We vervolgden onze tocht langs de historische tempels vanaf het centrale eiland naar de zuidoostelijke oevers van de Chao Praya rivier.
De hoogste chedi (stupa) van Ayuttaya behoort tot Wat Yai Chaimongkol (Chai Mongkhon), buiten het eiland in het zuidoosten van de stad. De tempel werd in 1357 gebouwd voor monniken die uit Sri Langka terugkeerden. De grote chedi werd in 1592 door koning Naresuan toegevoegd ter herdenking aan zijn overwinning op het Birmese leger. Op het terras rondom de chedi staan rijen gerestaureerde Boeddhabeelden in saffraankleurige gewaden. Ook de liggende Boeddha bij de ingang was gehuld in een saffraankleurig doek, maar kort na onze komst werd dit verwijderd en lag deze grote Boeddha nakend wit onder de stralende zon, terwijl veel mensen met wierook en lotusbloemen eer kwamen bewijzen.
Wat Yai Chaimonkol is nog steeds een actieve religieuze site, waar locals en monniken hun dagelijkse rituelen en ceremonies uitvoeren, een plaats van bezinning en respect. Langs de viharn liepen wij naar de grote chedi. Met vele anderen hebben wij de trap naar omhoog beklommen, die toegang gaf tot een ruimte met strak vormgegeven nissen en in het midden een heel diepe put waarin men munten gooide. De wensput behoort blijkbaar tot alle windstreken. Vanaf de bovenste rondgang hadden we een mooi uitzicht over het complex en de stad. Zonder kleerscheuren daalden we de steile trap met de smalle treden af.
Phra Phanan Choeng is gebouwd in 1324, 26 jaar voor de stichting van Ayutthaya door koning U-Thong. De tempel ligt aan de samenvloeiïng van de Chao Praya en de Pa Sak-rivier. In het gebied leefde destijds een Chinese gemeenschap, die best groot moet zijn geweest, aangezien ze in staat was om een van de grootste Boeddhabeelden van Siam te bouwen. Migratie van Chinezen naar de havens en markten bij de golf van Siam was niet ongewoon in die tijd. Het is een van de oudste, mooiste en meest vereerde Boeddhabeelden van Thailand, waarover ook Gijsbert Heeck, een dokter bij de VOC in 1655 bewonderend schreef, zo lees ik op de website van History of Ayutthaya.
Maar eerst kwamen we in de ubosot. De twee buitenste Boeddhabeelden aldaar worden gedateerd rond 1357. Lange tijd zijn ze bedekt geweest met een pleisterlaag van verschillende materialen om de Birmese indringers te misleiden omtrent hun waarde. Pas bij een schoonmaakbeurt in 1963 ontdekte men de edelmetalen eronder: goud bij de een en een legering van koper, zilver en goud bij de ander. Het middelste beeld in een met goud bedekt stenen beeld uit de Ayutthaya periode. De muurschilderingen zijn nog niet zo oud.
Wij betraden de hal met de grote Boeddha via de achterzijde, omdat het aan de voorzijde heel erg druk was. Tal van mensen kwamen om te bidden en eer te betonen. Zowel de prachtige hal als de enorme Boeddha, omringd door tal van andere Boeddhabeelden, vond ik indrukwekkend.
Thai noemen deze Boeddha Luang Pho, Thai van Chinese afkomst en Chinezen hanteren de naam Sam Po Kong. Het beeld zit in de klassieke houding van Boeddha die de verleiding van Mara bedwingt met de rechterhand naar de aarde. Het beeld is ongeveer 19 m hoog en 14 m breed (ter hoogte van de schoot).
Het is een groot complex en er is ook een toegang vanaf de rivier. Maar wij hebben het hierbij gelaten en zijn dezelfde route teruggelopen naar onze taxi via de omringende hallen waar een levendige verkoop van wierook, lotusbloemen etc. plaatsvond. Het is een oude wereld, maar voor ons nieuw, want wij zijn niet bekend met het boeddhisme. Overal leren we evenwel weer iets nieuws. Ondertussen waren we wel toe aan de rust en het zwembad van ons buitenverblijf. Met mr Aum spraken we af om 's avonds nog een keer naar de avondmarkt te gaan. Ook een andere wereld, maar dan een waaraan we graag actief deelnemen.





























_bew..jpg)










